De slang, Taiping

Dageraad. Het uur dat je in Maleisië kan fietsen door goud, zeker langs een landelijke weg als deze. Een weg met aan weerszijden bomen die de wind breken. Daarachter velden waarop de palmvrucht wordt geteeld, wouden van eenzame bomen, alle eender. Er hangt nog iets van koelte in de lucht, en ook al ligt je bestemming meer dan honderd kilometer verder, het voelt alsof je eeuwig door kan gaan, zolang je dit schijnsel wordt gegund, het prille, violetachtige licht.

Plots zie ik iets liggen, dwars op de weg. Een sliert, een touw, een… slang! Een slang, de lengte van een arm! Ik ben te laat om ze te ontwijken, trek instinctief de benen op. Een fractie van een seconde later schiet een rilling door haar lijf. De schok! Ik knijp instinctief in de remmen, vloekend van schrik.

Vrees slaat om in ontzetting. De slang ligt nog steeds op haar plek, de kop vlakbij de boord van de weg. Dan pas zie ik waarom ze niet wegraakt. Het achterste derde van haar lichaam is een roodzwarte massa. Ze plakt aan het asfalt. Het is een griezelig, meelijwekkend zicht. Hoeveel pijn moet dat dier niet voelen, zonder begrip van wat haar is overkomen, zonder besef van wat een wagen is, een fietser? Er komt er in de verte nog één aan, een wagen.

Er is voldoende licht, gelukkig, zodat de chauffeur haar heeft gezien. Of, waarschijnlijker, mij in de gaten krijgt. Hij vertraagt, rijdt behoedzaam om de slang heen, vervolgt zijn baan. En jij, wat ga je doen? In het geval van een dode hond of kat zou ik weten wat gedaan. Ik ben ze genoeg tegengekomen, ook in Europa. Afstappen en de berm ingooien. Dat zijn rakende ogenblikken, want als fietser of wandelaar sta je dichter bij hen dan bij de tuigen die voorbij gieren, waarvoor ook jij slechts een obstakel bent. Het zijn zij tegen ons. Zij die ons met één zwenking van de baan kunnen vegen. Wij die onbeschut zijn, en snel is slechts onze harteklop. Ik blijf kijken naar het dier in doodstrijd. Het ziet er nog steeds gevaarlijk uit. Wat ga je doen? Wat kan je doen? Als ik nu een schop had, kon ik haar afmaken en was het gedaan. Maar je staat daar op sandalen, met hoogstens een mes in je rugzak. Daarmee zal het niet lukken.

Er komt een nieuwe SUV aan (meer dan de helft van de wagens hier zijn SUV’s). En nu zie ik hoe de aanrijding moet zijn gebeurd. Het rechterwiel van de wagen vlamt over het tot moes geplette achterste, het linkerwiel gaat net aan haar kop voorbij. Het is maar een kwestie van tijd, zoveel is duidelijk. De volgende wagen hoeft maar iets af te wijken, en de slang is er geweest.

Zo komt zij. Zo komt de dood, eensklaps en met verschrikkelijk gewicht. En ik fiets verder.

*

Aan het staartje van de dag rijd ik eindelijk Taiping binnen. Geen spits hier. Het stadje is achtergebleven bij de buzz van de hoofdstad en draait nog enigszins op de hardware van haar eens blanke meesters: het spoor, het stadscentrum in dambordpatroon, de koloniale villa’s. Geen hoogbouw, maar huizen waarvan de winkel op het gelijkvloers ligt, de woonvertrekken erboven. Die springen uit zodat ze een arcade vormen boven het voetpad, cruciaal in de tijd voor de asfaltering. Taiping is een van de natste steden van het land.

De Chinese Maleisiërs zijn duidelijk met hun tijd mee. Enkelen steken me voorbij op vinnige fietsjes, de wielen een voorarm groot, de stang als van een acrobatentuig. En versnellingen dat daar opstaan, verdorie! Ik heb er geen antwoord op, noch mijn ros dat geen versnellingen telt. Ik ben moe, en hongerig.

De markthal is nog open, het geroezemoes van de marktgangers loopt op zijn laatste benen. Ook hier een mengeling van Chinese en etnische Maleisiërs, het vloeien der talen. Ik neem plaats aan een van de eetkraampjes. Aan de muren hangen posters van Madonna uit het Like a Virgin-tijdperk. Een van de verkleurde luifels werft met Alain Delon, die ooit z’n eigen horlogemerk had (wie gaf of geeft in godsnaam om Alain Delon?). Wat nog het meest opvalt, zeker na Kuala Lumpur, is het aantal oude mensen, of de relatieve afwezigheid van jongeren.

Vandaag staat Taiping bekend als een pensioner’s paradise, maar de stad is jong. Zowat honderdvijftig jaar geleden werd er tin ontdekt, en nodigde de plaatselijke sultan de Chinezen van de regio Canton uit om het te ontginnen. Zij waren maar wat blij de rebellie in eigen land te ontvluchten. De Taiping-rebellie heette die, veruit de bloedigste wereldbrand van de negentiende eeuw. Tot een generatie later de Cantonese genootschappen onderling slaags geraakten, en de Britten hun kans schoon zagen. Zij namen het stadje in bescherming, en doopten het met stiff upper lip ‘Taiping’. Eeuwige vrede.

Jong Kabau! Jong Kabau!’

De krantenverkoper schuifelt voorbij, z’n bundel nieuws torsend op de rug. Hij loopt rondjes door en rond de markthal. Het moet z’n derde keer zijn. Hij houdt halt onder het afdak. Iemand een pakje nieuws?

Jong Kabau!’

De slang van vanochtend, hoe haar pikzwarte schubben blonken. Zou ze nog op het asfalt liggen? De vraag is onzinnig natuurlijk: de slang is morsdood. Als ze er nog ligt, is het als een opengereten fietsband. Tenzij iemand ze heeft opgeraapt, en in de struiken gegooid. Een fietser misschien. Ik zag er twee, drie vandaag, jongetjes die de heuvel af raceten en weer omhoog. Reuzepret.

Of zou nu pas, in dit deemsterlicht, een chauffeur zijn uitgestapt, een truckchauffeur of zo? Zij rijden niet zo snel, kunnen af en toe een verzetje gebruiken – even kijken wat die glimmende zweep daar doet op de weg. Stoppen. Sigaretje roken. ‘Aye, dode zuster, wat ligt ge daar zo stil…’ En haar peinzend onder de blaren leggen.

Zoetjes valt de avond. In de markthal schraapt de chef zijn pannen, en geeuwt zo hard dat ik het kan horen. Een ventilator woelt de wokgeuren door de ruimte. Is het dat wat mijn hoofd zo licht maakt, mijn ogen vochtig? Of het gevoel van herkenning, dat op deze plek alles klopt, dat alles… is blijven bestaan. Het is mijn eerste avond hier, en niet. Ik was al een keer of drie in Taiping, en ik weet niet eens wat ik er verloren heb.

Een Tamil koppeltje wandelt voorbij, jonge twintigers, hand in hand. Ze zitten goed in ’t vlees, zij met de hautaine blik, voorgeschreven door een kuise traditie, je nimmer in de ogen kijkend. Ze zijn niet bekoorlijk, de Maleisische meisjes – en ik schrijf dit als ongeïnteresseerde partij; je moet het zien om het te geloven. De jongeman vindt het best. Hij heeft z’n liefste goed vastgepakt en stilletjes kuieren ze door het straatje, de duisternis in. Hun huid is zo donker dat ze meteen worden opgeslokt. Haar purperen blouse, zijn witte broek glimmen nog even na.

Maar die slang, dat koude, half ondergronds levende dier… Wie voor haar is gestopt, moet een bepaald soort iemand zijn. Iemand oud of broos genoeg om stil te staan bij de kracht die ons elke dag opnieuw behoedt voor het niets. Elke dag zeggen we woordloos: ‘Kijk, hier ben ik!’ Elke dag stuurt die kracht ons de baan op, als we geluk hebben licht en monter. Levenskracht. Het vuur in elke cel. Zo ook die van de slang zoals ze door de blaren gleed, voor zij zich begaf op het noodlottige beton.

Het valt me moeilijk uit te leggen, Bart. Tenzij dat op ogenblikken als deze de geest even loslaat. Dat wij mens zonder naam kunnen zijn, oog kunnen hebben voor wat ons verbindt met al wat leeft. Het voelt als een vonk. Een licht dat aangaat. Het doek van de wereld, de figuren op de voorgrond lichten op. Even zie je jezelf, dat zich een ‘ik’ waant. Een leven gewijd aan het vullen van dat ‘ik’, om dan uit te doven.

Hoe vaak, in dat verglijden, staan we stil bij ons God-zijn? Niet als mens-God verheven boven de natuur, maar als deel ervan. De natuur die meer is dan decor, één geheel. Hoeveel plaats is er in onze eivolle kop voor deze waarheid: elk ogenblik een nú; dat wij leven! Dat wij mogen leven. Dat wij geen meesters zijn, geen meesters hoeven te zijn, dat wij maar mens zijn, en dat zijn ogenblikken van overlopen, van god allemachtig.

En opnieuw ‘Jong Kabau!, Jong Kabau!’

Of er geen pakje nieuws moet zijn, komt de oude man nog eens vragen. Zijn stem wekt geen wrevel op, maar plezier. Ik wou dat ik een klankdoos bijhad waarin ik ze kon bewaren, die ravenkras. Net als het geschuifel van het vrouwtje dat hier op- en afdient. Als een mus beweegt ze zich tussen de tafeltjes, kwiek en kranig, al twee uur lang. Ze heeft m’n glas meegenomen. Ik heb er nog een besteld. Hoe kan zij in vredesnaam overleven op 140 ringgit (20 eurocent) voor een limonade?

Bart, het zal je vast ongemakkelijk maken dat ik de laatste maanden zo doordram over ‘God’. En dat terwijl we er nog nooit echt over spraken. Zoals ik eerder zei: hoe fout ons dat godsbegrip is ingelepeld van jongs af aan, zodat wij niet anders kunnen dan ons een Almachtige voor te stellen. Of omgekeerd, helemaal dicht te klappen. We wuiven het Hogere weg, omdat de Rede ons dat nu eenmaal gebiedt. En wat een verlies dat is, niet de kerk maar dat godsbesef te ontkennen, daar komen wij sukkels aan het eind van de vooruitgang nu achter. Wij kunnen de wereld niet begrijpen, niet naar waarde schatten, niet lief-hebben met wetenschap en techniek alleen.

Het is de broer van Aldous, Julian Huxley, een befaamde bioloog, die dat misschien het treffendst samenvatte: ‘Hoe meer de wetenschap ontdekt, hoe dieper ons inzicht in de mechaniek van het bestaan, des te klaarder wordt ons het mysterie van het bestaan zelf.’

Zet dat verstand dus voor een keer af, prent ik me in. Laat het gaan. Laat. Het. Gaan. En zie, plots heerst er rust in Taiping, de oneigenlijk genaamde stad. Even is er vrede. En de wokspatel, hij schraapt maar voort, en toch stoort hij niet, noch de stilte die zijn schrapen smoort.