Higgs Boson Blues, Nick Cave

Er is een tijd dat het lied nog leeft, en nog niet volledig wordt begrepen, dat het wild en ongebroken aanvoelt. Binnenkort zal het worden getemd, en zullen we het op de plank bij de andere leggen. Maar dat moment, dat vluchtige moment dat het lied nog de baas is, daar leven wij voor… (Nick Cave in 20.000 Days on Earth, 2014).

(Leestijd: 18 minuten)

Zou je geloven dat de muzikant Nick Cave elke ochtend naar kantoor rijdt, zoals de eerste de beste werkmens? Hij woont en werkt in Brighton aan zee, waar z’n vrouw vandaan komt. Verzen schrijven achter z’n piano. Hengelen naar de juiste noot. ‘Kan jij op dit deuntje een beat verzinnen, Warren?’ ’s Avonds rijdt ie gewoon terug naar huis, Tv kijken met de kinderen, just a musician doing his job.

Deze keer, deze avond zijn ze blijven rijden, hij en zijn maten, de Kwade Zaden. Of dat denkt hij, want herinneren doet hij zich niets. ‘Vlammenbomen langs de baan’, zingt hij. Zou hij straatlantaarns bedoelen? Wat zitten we hier in het pikkedonker te rijden, waar naartoe? Genève!? Maar waarom in godsnaam? Willen we wel meestappen in dit lied? De twijfel is groot, maar goed, misschien dat de dingen opklaren onderweg. In elk geval, Cave heeft lang genoeg gezeten in z’n souterrain, spiedend naar de meisjes onder wier minirokjes roosjes bloeien. Rijden maar.

Can’t remember anything at all
Flame trees line the streets
Can’t remember anything at all
But I’m driving my car down to Geneva

I’ve been sitting in my basement patio
Aye, it was hot
Up above, girls walk past, their roses all in bloom
Have you ever heard about the Higgs Boson blues
I’m goin’ down to Geneva baby, gonna teach it to you

Heb je dat goed gehoord? Higgs Boson? Was dat niet het partikel dat vorig jaar werd gevonden? Waar zowat alle natuurkundigen op zaten te wachten? In Genève hadden ze er een deeltjesversneller voor gebouwd – een immense, cirkelvormige tunnel waar protonen werden doorgejaagd aan bijna de snelheid van het licht. Na jaren van botsingen werd het gespot zodat het laatste puzzelstukje van het standaardmodel in de fysica eindelijk kon worden gelegd: de oorsprong van massa. Je leest erover op Wikipedia. ‘Higgs Boson’, luidt het daar, ‘is het deeltje – vergelijk het met een elastiekje – dat massa overdraagt. Het beweegt zich tegelijk binnen en buiten de werkelijkheid.’ Je leest het nog eens, staart glazig in het schijnsel van je laptop. Een van de pot gerukte theorie die dus nog blijkt te kloppen ook. Je haalt de schouders op. Waarom deeltjesfysica in dit lied, waar rijden we in godsnaam naartoe, want we hebben inmiddels een grote bocht gemaakt.

Black road long and I drove and drove
I came upon a crossroad
The night was hot and black
 I see Robert Johnson
with a ten dollar guitar strapped to his back
lookin’ for a tune

Door Caves wormgaten van woorden zijn we ineens elders terechtgekomen. Memphis, zo blijkt. Het Amerikaanse Zuiden, blues land, het land van de iconische zwarte barden die in de muziekfabrieken van hun tijd aan geen werk geraakten, die zich de ziel uit het lijf zongen om ze op de straatstenen achter te laten. Waarin ligt ze, de aantrekkingskracht van het Zuiden? Wat heeft Cave daar in godsnaam te zoeken? De rit is er één die vele blanke muzikanten hebben gemaakt: Dylan, Clapton, White, Van Morrison. Een bedevaart, uit noodzaak. En dus nu Nick Cave, vanuit Zwitserland… Is hij iets op het spoor? Eerst godsdeeltjes, en nu ’n heel andere collider. Eén die Robert Johnson, de blueslegende, zo’n vaart gaf dat hij het zelfs tegen de duivel op wou nemen.

Well here comes Lucifer with his canon law
and a hundred black babies runnin’ from his genocidal jaw
He got the real killer groove
Robert Johnson and the devil man
don’t know who’s gonna rip off who

Het duel tussen bluesmuzikant Robert Johnson en de duivel, het moet één van de grondmythen zijn van het Amerikaanse Zuiden. Johnson die aan ’n kruispunt staat, en vreest zich te vergissen. Eén pad leidt naar het paradijs, een ander naar smart en pijn. Alle wegen lijken op elkaar. Het is middernacht. Hij staat op het kruispunt op Route 61, en de duivel komt voorbij.

He’s got the real killer groove
Robert Johnson and the devil man

Is er een mythe die meer tot onze verbeelding spreekt dan die van de mens die zijn ziel verkoopt voor kennis, macht of kunst? Robert Johnson, de zwarte zanger met zijn gedeukte hoed en goedkope gitaar, hij verschilt eigenlijk in niets van Prometheus die het vuur van de Goden wou stelen, of van Faust. ‘Toon mij de wereld’, zegt Faust, ‘Laat mij meester zijn voor een jaar, en ik geef u wat ge wilt.’ En Mefisto lacht eens in zijn vuistje. Want hij is geen immoreel creatuur, zoals wij graag geloven. Het is niet met geld dat de duivel ons verleidt, met ongestraft kwaad. ’t Is met goed dat hij ons lokt: met kennis zonder grenzen. Dijken bouwen wil hij, Faust. Kennis vergaren die tot goeds kan worden aangewend. Waar ligt dan goed en kwaad? Of is die grens vager dan wij dachten? Wie lacht het laatst in dat duel?

Robert Johnson and the devil man
Don’t know who is gonna rip off who

Ja, beter spelen dan de duivel kon hij, Johnson, iedereen in het Zuiden wist het. In de zomer van 1936 meldt hij zich in de studio van de American Record Company in Dallas. Hij neemt 29 klassiekers in één ruk op. Dat gitaarspel van ’m is ongehoord – Eric Clapton die hem vele jaren later zal beluisteren, vroeg zich af wie toch die tweede gitaar speelde op dat album. Maar er was er geen. Enkel Robert Johnson en diens mefistofelische vingers. Negenentwintig liederen, that’s it, en wie het dertigste lied vond, zo wilde de legende het, zou Johnson bevrijden van zijn duivelspact.

I’m driving my car flamed trees on fire
sitting and singing the Higgs bosson blues

Voel je ’m, de blues? Dit lied is nochtans ingetogen begonnen, een enkel gitaarakkoord alsmaar herhaald, tot ergens halfweg de noten omhoog klimmen, de keyboards het overnemen in een onmerkbare versnelling die je maag in een knoop legt. Nu zindert de Wurlitzer door je lijf. Meesterschap. Pure roes.

Blues over een elastiekje. Een godspartikel! – gewoon ’n pitch hoor, om geld te verzamelen, zei de betreffende natuurwetenschapper (een Amerikaan). Maar nu het is gevonden en benoemd, wat moeten wij ermee? Hebben wij hier God gezien, nu we het proton met dank aan 9600 elektromagneten hebben opengebroken, en zo de allerkleinste deeltjes uit hun kooi hebben bevrijd? Wie of wat hebben we eigenlijk gezien? Is er een kaart? Mag ik ook even uit m’n vel springen?, vraagt Cave. Nee, hij houdt het niet meer in zijn kelder, ook al is ’t uitzicht nog zo lekker.

En dan Memphis! Want, die stad gaat over meer dan just the blues. Ze is ook de plek waar Martin Luther King voor het laatst sprak voor hij werd vermoord, in het Lorraine motel. En uitgerekend daar houdt Cave nu halt. Weet je nog, Bart, die woorden van Martin Luther King?

‘I have a dream.’ Iedereen kent die geluidsopname, een van de bekendste van de vorige eeuw. En toch… King spreekt daar een taal die wij nooit echt hebben gehoord. Een niet schampere, radicaal humanistische taal. De vurige overtuiging een droom te hebben. Wie spreekt nu nog zo? Wie kan nog waargenomen worden zo te spreken? Even blijft de tijd stilstaan.

All the clocks have stopped in Memphis now
In the Lorraine Motel, it’s hot, it’s hot
That’s why they call it the Hot Spot
I take a room with a view
hear a man preaching in a language that’s completely new, yeah

Hij heeft zich een kamer geboekt, Cave, een ‘kamer met zicht’. Op Kings woord, op Kings moord? Wat betekenen ze, de woorden die hij hier zingt? Eén ding is zeker: het is daar heet in Memphis. Heet, als in de hel. Alle uurwerken zijn stuk. En midden in die war horen we een man spreken in een nieuwe taal. Wie zo’n woorden hoort, wordt er dronken van.

Making the hot cocks in the flophouse bleed
while the cleaning ladies sob into their mops
And a bellhop hops and bops
A shot rings out to a spiritual groove
Everybody bleeding to that Higgs Boson Blues

Geraaskal. ’t Is een zothuis, dat motel. En je voelt ze intussen in je lijf, de spanning minutenlang opgebouwd door dat repetitieve beginakkoord. Van Genève naar Memphis naar kuisvrouwen, een discontinuïteit die de luisteraar gek maakt. Maar wat geeft het? Laat je niet kennen, zeg je tegen jezelf. Spring mee, in dat extatische heen en weer! Tot het schot weerklinkt dat er ’n eind aan maakt.

If I die tonight, bury me
in my favorite yellow patent leather shoes
with a mummified cat and a cone-like hat
that the caliphate forced on the Jews
Can you feel my heartbeat?

Het bloed sijpelt uit die geesteswonde, alsof Cave kapot gaat aan z’n blues. Laat hij daarom een testament na, instructies voor de begrafenis? En wat voor instructies… Na al dat rijden en razen zijn het z’n favoriete gele lakschoenen waar hij ’t meest om geeft – de lakschoen (‘patent leather shoe’), de uitrusting van ieder zichzelf respecterende bluesmuzikant. Voor sommigen zijn het schoenen of een blitse wa- gen; voor anderen onzichtbare deeltjes. En wij? Wat is ons Memphis, onze ersatz? Want geloven doen we allemaal.

En voort galoppeert de discontinuïteit. Van gele lakschoenen naar een kat als bijzet, zoals de oude Egyptenaren ze mummificeerden. En omdat we nu toch aan het surfen zijn in de Exotische Zee van ditjes en datjes, gaat het naar de middeleeuwse Jodenhaat, veruitwendigd in een kegelvormige hoed, Spaanse stijl. Kijk maar op Wikipedia! Hij heeft zijn huiswerk gemaakt, de bard die ons hier een spiegel voor- houdt, die elders op dit album over Wikipedia zal schrijven.

Seriously, Wikipedia in een rocknummer? Maar waarom niet? Waarom niet zingen over technologie, over de hedendaagse stoommachines in ons hoofd. In het lied ‘We real Cool’ doet Cave het uitdrukkelijk. Een lied op hetzelfde album dat nog moeilijker te snappen is… ‘Wikipedia is heaven/ When you don’t want to remember no more/ On the far side of the morning.’

Wat moeten we met die ditjes en datjes? Als sterrenstof flikkeren ze aan een hemel waar geen raam groot genoeg voor is. Een totaal lawaai. Hoe houd je beelden vast, hoe houd je betekenis vast wanneer ons voortdurend in de oren wordt geroepen?

Can you feel my heart beat?
Can you feel my heart beat?

Ja ja, ik leef nog, zegt Cave, leg uw hand maar op mijn borst, hier, want met al dat lawaai in onze kop, kan ik begrijpen dat je ’m misschien niet hoort, mijn hartslag – voel je ’m? Zeg, er is daar toch nog een hartslag hé? Ik ben echt! En jij?

Hannah Montana does the African Savannah
as the simulated rainy season begins
She curses the queue at the Zulus and moves on to Amazonia
and cries with the dolphins

Het begint onderhand stampvol te raken, dit lied, maar kom we bijten nog even door. Wie in godsnaam is Hannah Montana? Wel, dat blijkt een Amerikaanse tienerserie te zijn (dank u, Wikipedia!). Een school- meisje dat Miley heet en ’s avonds stiekem door het leven gaat als de popster Hannah Montana. Aan het eind van het lied zal ze onder haar echte naam verschijnen: Miley Cyrus. Een blondine die in Afrika met de kindjes op de foto gaat.

We kennen ze wel, de actrice of zanger die zich opwerpt als rolmodel, haar/zijn status aanwendt om aan liefdadigheid te doen. En god, waarom ook geen stapje verder zetten. Niet meer de mens Miley Cyrus maar haar personage op pad laten trekken voor het goede doel. En zo zijn we er bijna, de eindbestemming van dit verhaal. Hopelijk toch. Dus nog maar eens:

Hannah Montana does the African Savannah
as the simulated rainy season begins
She curses the queue at the Zulus
and moves on to Amazonia
and cries with the dolphins

Ze ‘doet’ de savanne, fotootjes inbegrepen, zoals zovelen Thailand ‘doen’ en Nepal en Borneo. Waarna ze naar Zuid-Amerika vliegt en de show verdergaat. En dat incidentje onderweg (iets met toiletten in Afrika – she curses the queue at the zoo-loo. Een knappe vondst, een kleine schok), ach wat zou het… Want intussen zit ze in de Amazone om er de dolfijnen te steunen (uitstervend allicht, net als die in de

 Mekong, wat wij toch allemaal niet ‘weten’, he?) of om even met ze te huilen. En wat daar in Afrika is gebeurd…, wie kan het wat schelen? Wie wil ook meer weten dan de foto’s on line, want god er is nog zo- veel anders, zoveel lekkers. Een mens zou voor minder met de dolfijnen huilen.

Yes Miley cares, she really does! Do you?’ Daarom misschien dat ze ’t uitschreeuwen, Cave en z’n Kwade Zaden, hier op deze tweede climax na meer dan 6 minuten van opgebouwde spanning, opgewekte elektriek, zin en onzin en woordspel en war en herinnering – aaaaaaah! – en de Wurlitzer jankt mee. Zie ze daar staan die bende jonge zestigers, twee van hen dragen hun baard lijk Abraham, schouwers van hun tijd.

The Mau eat the pygmies
The pygmies eat the monkeys
The monkeys have a gift
that they are sending back to you
Look here comes the missionary with his smallpox and flu
He’s saving them savages with his Higgs Boson Blues

Ach, whatever. Voort, in gang blijven, ergens naartoe, want vaart verstrooit, stilstand is stagnatie, is paniek. Eigenlijk zijn we allemaal een beetje onderweg, acteurs in onze eigen road movie. Zou ze hier niet liggen, de aanleiding van die intense gesprekken die Nick Cave sinds kort met zijn publiek is aangegaan? Natuurlijk, de dood van zijn tienerzoon heeft hem flink door elkaar geschud, maar de verwarring, de nood aan bezinning waren er eerder al. Het lied vertraagt nu, kwijnt weg.

I’m driving my car down to Geneva Oh let the damn day break
The rainy days always make me sad.
Miley Cyrus floats in a swimming pool in Toluca Lake
And you’re the best girl I’ve ever had
Can’t remember anything at all

Een blonde bikini-schone, op een luchtmatras drijvend in de eenzaamheid van Toluca Lake, Los Angeles. Is dat het beeld waarmee we weer de wereld in moeten? Tja, ’t is droef, Nick Cave, maar eerlijk misschien. In de landschappen waarin wij leven zijn het dit soort beelden die het sterkst doordringen. Onpeilbare botsingen van beelden. Daarnet hield Hannah Montana een zwart kindje in de armen. Nu ligt Miley Cyrus te chillen in haar zwembad en welke is de echte, wie zal het zeggen? Wie zal het zich herinneren?

(Nick Cave, Higgs Boson Blues, Push the Sky away, 2013)