Nathanaël

Het langste stuk uit het boek, en heel bijzonder. Paul schreef het vanuit een ziekenbed ergens in Kroatië, op weg naar huis.  Hij wordt op sleeptouw genomen door Nathanaël, een romanfiguur van een Frans-Belgische schrijfster (1903-87), die reeds elders in het Grote Werk haar sporen liet. Maar die voorgeschiedenis is nu even niet van tel.  Waar het om draait: het Grote Werk is niet bang van mystiek. Wat is mystiek anders dan op je stappen terugkeren, voetje voor voetje? Ont-leren.

(Leestijd: 28 minuten)

Het nieuws van Nathanaels overlijden op een klein Fries eiland maakte geen grote ophef, toen het in Amsterdam werd ontvangen. Zijn oom Eli en zijn tante Eva waren het erover eens dat zij een dergelijk einde hadden verwacht. Nathanael was twee jaar tevoren al haast gestorven in een hospitaal in Amsterdam; deze tweede overtreding, bij manier van spreken, kon hen niet langer raken. Naar verluidt was zijn vrouw Saraï (was dat zijn vrouw wel?) nog voor hem gestorven. Hoe minder was geweten over de manier waarop, hoe beter. Wat het kind betrof dat het koppel achterliet, zag Eli zich niet meteen de Jodenstraat aflopen om de wees te zoeken bij de oude vrouw met de vurige ogen die voor zijn grootmoeder doorging. (Marguerite Yourcenar, Un Homme obscur, 1981)

Zo begint het verhaal van Nathanael, ‘Un homme obscur’, zoals Margarite Yourcenar hem noemt, meteen de titel van haar laatste roman. Obscuur in meer dan één betekenis. Nathanael zou tijdens zijn korte bestaan in de jaren 1600 niets bijzonders verwezenlijken noch nalaten, behalve een zoontje dat hij niet zou kennen. Wat moet deze man die leeft tussen wal en schip, gedreven door de wil van anderen? Wat moeten wij met hem? Ik geloof niet dat ik je lectuur verpest door zijn verhaal te schetsen. Zoals steeds bij Yourcenar zijn niet de feiten van belang, maar een bepaald kijken naar de wereld. Daarin ligt haar meesterschap.

Nathanael wordt als Nederlander in Engeland geboren, waar zijn vader werkt aan de scheepswerven. De jongen heeft een zwak gestel, maar kan in de leer bij een schoolmeester. Op z’n zeventiende neemt hij, uit vrees onrechtmatig van een misdrijf te worden beticht, de vlucht naar Amerika en gaat er werken op het land. Hij trouwt met een meisje, Foy, dat weinig later aan tuberculose zal sterven. Van daar gaat het naar Amsterdam waar hij een baantje vindt in de drukkerij van zijn oom.

Hij is niet onknap, Nathanael, en wordt op een dag verleid door Saraï, die zwanger raakt. Zij blijkt een prostituee te zijn, en verlaat hem om haar stiel weer op te nemen. Hij is er kapot van, laat in het putje van de winter have en goed achter. Zijn wankele gezondheid gaat er nog meer op achteruit. Een voorname burger, mijnheer Van Herzog, biedt hem onderdak. Wanneer Nathanaels tuberculose een risico wordt, wordt hem gevraagd te werken als wachter op één van Van Herzogs eigendommen. Hij brengt zijn laatste dagen door op een Fries Waddeneiland, en sterft er op de leeftijd van 27 jaar, volkomen alleen.

Wat valt er te zeggen over zo’n leven? Nathanael is uit heel ander hout gesneden dan de filosoof Zeno (Hermetisch Zwart, 1968) of Keizer Hadrianus (Herinneringen aan Hadrianus, 1951), wilskrachtige mannen aan wie Yourcenar haar eerdere romans opdroeg. Zij trekken de wereld in om kennis en macht te vergaren, om er goed mee te doen, elk in eigen zin. Intense levens leiden ze, waarin meer dan één steen wordt verlegd. Nathanael leeft zijn leven in het klein. Waarom wijdde Yourcenar haar laatste jaren aan hem?

Tja, waarom? Zou het Hollands gouden eeuw zijn die haar interesseert? Wil ze ons tegen die achtergrond het leven van een gewone mens schetsen, en zo een stukje anonimiteit terugdraaien? Een sociaal-economisch probleem fileren? Niets van dat alles, denk ik. Als ik je over deze roman schrijf, is het niet zozeer om hem ‘uit te leggen’, maar omdat hij me helpt woorden te vinden voor wat me al lang bezighoudt. Steeds heb ik me ervan weerhouden die woorden neer te schrijven. Ze zouden je niet raken. Yourcenars belichaming heeft mij ten diepste geraakt. Laat me er nu maar de vinger op leggen, nu ik spoedig in België zal neerstrijken, allicht voorgoed.

*

Nathanael mag dan meer volger zijn dan held, een man zonder eigenschappen is hij niet. Wat hem tekent, is zijn empathie voor mensen en dieren. We leren Nathanael pas goed kennen in Maine, een ruw land waar hij onderdak vindt bij een arm kolonistenpaar. Van hem wordt verwacht de handen uit de mouwen te steken, en de huwbare dochter tot vrouw te nemen. Het is een tijd van eerlijke, eenvoudige genoegens. Wanneer na een lange winter de lente aanbreekt, gaan ze met z’n allen aan het werk op de velden, ruilen het resterende graan met de kinderen van de indianen, die knappe boogschutters zijn, en hun wilde ganzen brengen. Soms gaan ze zelf op jacht.

Hoewel beren op het eiland haast niet voorkwamen, en zich alleen in het water waagden wanneer het ijs sterk genoeg was, gebeurde het op een dag dat Nathanael er één zag die van een frambozen- struik aan het snoepen was. De beer bracht de frambozen met zo’n delicaat genoegen naar zijn muil, dat Nathanael dat plezier ook als het zijne voelde. Zolang ze zich niet bedreigd voelden, hoefde hij die machtige beesten, voldaan aan fruit en honing, niet te vrezen. Hij vertelde niemand van deze ontmoeting, als bestond tussen het dier en hemzelf een stilzwijgende overeenkomst. Hij sprak evenmin van het vossenjong dat hij op een open plek in het bos had ontmoet: het monsterde hem met vriendschappelijke nieuwsgierigheid, onbeweeglijk, de oren rechtop als die van een hond. En dat hij in het bos een addernest had gezien, ook dat geheim bewaarde hij, uit vrees dat de oude man ‘dat gebroed’, zoals hij het noemde, zou doden. Op een soortgelijke manier koesterde hij de bomen; hij bekloeg hen dat ze, hoe hoog en majestueus ook, niet in staat waren zich te verdedigen tegen de bijl van de schamelste houthakker. Er was niemand aan wie hij zulke gevoelens kon toevertrouwen, zelfs Foy (zijn vrouw) niet.

Mooi, hé? Je ziet hem daar bijna lopen in zijn sjofele kleren, verwonderd over het leven dat hem omringt. Hij neemt het niet waar als decor, het is hem écht. Hij ziet die beer, dat curieuze vossenjong, het gebroed van de adder (letterlijk wat ze heeft uitgebroed, haar jongen dus, maar de taal zelf voorafspiegelt onze afkeer) als wezens met niet meer of minder ‘ik’ dan hijzelf. Ook zij hebben een levensadem, hun plaats in de keten.

 Een beer dus niet als soortaanduiding, maar een bepaald dier, met wie hij een stilzwijgende overeenkomst voelt. Zo kijkt Nathanael ook naar bomen, als individuen. Hetgeen sterk doet denken aan het boek Tot in de hemel dat de schrijver Richard Powers uitbracht (en waar hij in 2019 de Pulitzerprijs mee won), een kanjer over bomen en de mensen die hun lot ter harte nemen. Powers voert de jaarringen van bomen op als de maat der dingen. Wie zulke verhalen leest, verschaft zich toegang tot een heel andere wereld. En hij blijkt even wonderlijk als de onze… Tot we weer op automatische piloot overschakelen, hetgeen we in ons jachtige leven nu eenmaal moeten.

*

Jachtig is het niet op de Kroatische boerderij, waar Vera en ik vrijwilligerswerk doen: trap af, sandalen aan, emmertje groenteafval in de hand, hek open en toe, het emmertje tussen serre vier en vijf op de composthoop kiepen, langs de perenbomen benen, naar de achterkant van serre 6, om de uitstekende tak heen. Daar maakt de haan van zijn oren, lopen de kippen mee. Ik moet oppassen voor een kuiltje in het pad. ‘Ach beesten, loop me nu niet voor de voeten!’ Het is alle dagen hetzelfde met die domme wichten. Ik kom hier eieren rapen en steeds moet ik kijken of er niet één het hare achter het hok heeft gelegd. Opgewonden getoktoktok rond je voeten, want ze denken dat je eten brengt, met z’n twaalven zijn ze, en altijd lopen ze in de weg.

Even sta je stil met dat emmertje, zomaar. Je ziet ze waggelen met hun achterste, en er valt je een schelletje van de ogen. Hoe schoon ze eigenlijk niet zijn. En allemaal verschillend. De twee koddige zwarte met hun kuif, net familie van de secretarisvogel; de vette bruine kakelt als een kletstante; de schrale witte is één brok zenuwen. Elkeen heeft zijn karakter. ’t Is vreemd wat voor een verschil dat maakt, dat kijken: een klik in je hoofd, en je ziet geen dingen op poten meer, geen eiermachines, maar levende wezens met ogen. Ogen waar je liefst niet te diep in kijkt, want ze zijn nogal afstotelijk (geen mens zou een kip kunnen eten als de ogen er nog inzaten). Ze herinneren je aan beelden die je onlangs zag. Beelden van vrouwen die kuikentjes markeren aan een sorteerband en de mannelijke de shredder ingooien. Daar moest je toch even van slikken, van de ontzettende verdinging die daaruit spreekt, maar die in wezen niet zo sterk verschilt van de geest waarin jij hier de eieren komt rapen, onder het gekakel door.

Onder alle diersoorten die we sinds de landbouwrevolutie temden, is net in de kip die verdinging het sterkst doorgedreven. Het valt ons makkelijk hen niet te zien. Kippen zijn weinig aaibaar. Hun eieren komen met de regelmaat van een fabriekje, graan erin aan één kant, een ei eruit aan de andere. En ze zijn met miljarden, de meest succesvolle soort, numeriek dan toch.

Zie nógmaals de boeken Sapiens of Homo Deus – Yuval Harari brak er een lans voor de gelijkberechtiging van dieren, nietwaar? De koe die van haar kalf wordt gescheiden lijdt. Zo ook het aapje in het labo dat zich vastklampt aan de pop die het als zijn moeder ziet. Ook zij zijn ‘van vlees en bloed’. Deze frase zo vaak gebruikt om ons hart te weken, ik heb ze nooit toegepast gehoord op een dier. Ze is nochtans evident, maar begrijpen doen we ze niet, behalve in het geval van honden en katten, de enige dieren die ons nabij zijn. De andere zijn vlekken aan de kant van de weg.

Dat wij verwant zijn met de dieren, dat zij deel hebben aan dezelfde keten van leven, die gedachte moeten wij, moderne mensen, nu bijna intellectueel reconstrueren. Voor Nathanael spreekt dat voor zich. Zo sterk is zijn empathie dat ze ook bomen omvat. Hij voelt medelijden met hen omdat ze er weerloos bijstaan, ‘uitgeleverd aan de bijl van de schamelste houthakker’. En wij? Misschien dat ze op onbewaakte ogenblikken alsnog kunnen doordringen, deze andere levens. Niet minder dan het besef wat voor middelmatige dieren wij zelf zijn: de houthakker zoveel kleiner dan de eik, de trekvogel die de continenten bedwingt op eigen kracht, de kreeft miljoenen jaren oud.

Anima (‘ziel’), dat is wat Nathanael ziet! Gevoelig voor al dat leven, staat hij dichter bij het wereldbeeld van de jagers-verzamelaars dan bij het onze. Hij heeft geen boodschap aan de mentale truc waarmee landbouwers zich boven de dieren plaatsten, met Gods zegen. Later in de drukkerij van zijn oom zal hij in contact komen met geschriften waarin God plaats ruimt voor de wetenschap. Maar ook dat zegt hem weinig. God en wetenschap hebben hun nut voor piramidebouwers. Nathanael wil niets bouwen, zelfs niet in het klein. Hij wil slechts zijn, en kijken naar een aarde vol wonder. Zelfs op het Friese eiland waar hij plichtsgetrouw de wacht optrekt. Lees even mee:

Op dagen van sterke wind leerde hij zich beschermen tegen het zwepende zand, met behulp van een sjaal. Bootjes, groot en klein, dobberden in de verte, maar geen enkele naderde het eiland. Op zijn rug liggend, zoals hij jaren op zee had gedaan, ging zijn tijd in kijken en dromen voorbij. Hij bewonderde de incrustatie van mosselen en schelpdieren, paarlemoer of roze, die vreemde patronen vormden op de stutten van de door zeewormen aangevreten stijger. Ze riepen hem de snuisterijen van schelp in herinnering in het kabinet van meneer Van Herzog. De hebbedingen kwamen hem minder onbenullig voor, nu hij de vormen zag die de gestage werking van de elementen de dingen gaf. Zo vond hij op een keer een koek van verhard zand, waarin groeven waren gesleten als duimafdrukken. Ze deden aan het palet van een schilder denken. Net als de mens brengt ook de natuur mooie voorwerpen voort zonder nut.

Geen enkele keer zag hij tijdens zijn saaie wachtrondes menselijke voetsporen op het strand, maar de vogels lieten er hun sporen na, lijk sterren. De afdrukken van konijnen leken geluk te brengen. En dan de paardenhoeven! In het binnenland was een kudde vrijgelaten door een pachtboer van meneer Van Herzog. Die schone beesten waren te wild om zich vaak bij dag te laten zien, maar bij dageraad zag men ze het zout likken van de plassen die de zee had achtergelaten. Na verloop van tijd liet Nathanael zijn musket aan de haak hangen. Vanaf de top van de duinen sloeg hij de zee gade en stelde zich daarmee tevreden.

Woei de wind te hard, dan zocht hij beschutting in de dennenplantages die ook uit de tijd van de pachtboer dateerden. In die bosjes waar bomen mekaar beschermden tegen de wind, liep men geen risico verloren te lopen als in een woud: steeds bleef de lege, naakte ruimte zichtbaar aan het eind van de tunnels van takken.

Men was er geborgen als in een kerk. Aanvankelijk leek het er stil maar de stilte bleek uit lage geluiden geweven, zo sterk dat ze aan golfgedruis deden denken, en diep lijk de orgels van kathedralen; men ontving ze als een zegening. Elke tak, elke stam, bewoog mee met een ander geluid, een kraken, een ruisen, een zucht. De wereld van varens daaronder was kalm.

Maar het mooist van al waren de duizenden vogels die in de broeitijd op het eiland nestelden. De steltlopers aan de rand van de plassen leken wel vastgevroren; men zag ze slechts zelden, met lange tussenpozen en behoedzame pas voortschrijdend, ontgoocheld wanneer hun prooi de vlucht nam. Nathanael voelde zich verdeeld tussen de vreugde van de vogel, die het hem nodige voedsel snapte, en de foltering van de vis, die levend werd opgeslokt. De wilde ganzen vormden op wimpels lijkende slierten en daalden dan in een storm van kreten neer om te grazen; de eenden vlogen hen vooraf of volgden hen; de zwanen maakten aan de hemel hun majestueuze witte zwenking.

Nathanael wist dat niets aan hem van belang was voor deze zielen van een oudere soort; zij gaven hem geen liefde om liefde terug. Zou hij in zichzelf een greintje jagersinstinct hebben gevoeld, had hij hen kunnen doden. Hen helpen in hun bestaan, blootgesteld aan de elementen, kon hij niet. Ook de konijnen in het gras op de duinen waren geen vrienden dan wel bezoekers, uit hun hol gekomen als uit een andere wereld, steeds op hun hoede. Verborgen onder een struik zag hij hen op een keer dansen in het licht van de maan. ’s Ochtends voerden de kieviten hun bruidsvlucht uit, mooier dan enig ballet gedanst voor de koning van Frankrijk. ’s Avonds stond de steltloper er nog steeds. Op een dag toen hij levensmiddelen kwam brengen, verdween de oude Willem achter een duin met een lege korf in de hand. Hij was kievitseieren gaan rapen voor meneer Van Herzog aan wie hij ze met de volgende zeeschuit zou opsturen. Hij bood er een paar aan Nathanael aan, maar die wilde er geen.

Is dat geen machtige natuurbeschrijving? Beschreven door de ogen van een mens die openstaat voor het minst sublieme van alle landschappen; konijnensporen, een verweringspatroon in hout, de vlucht van vogels.

Wanneer wij denken aan het Sublieme, dan komen allicht niet de Waddeneilanden in ons op, die schilfers van zand. Het is aan de bergen dat we denken, want berglucht is medicijn voor de ziel zoals James Cook ooit zei over de Nieuw-Zeelandse Alpen. Ver moet het zijn, dat Sublieme, verheven boven de wereld. Het zijn bergen, geen wadden, die op de hoezen staan van de symfonieën van Mahler of Bruckner. Het is geen toeval dat de oorspronkelijke ‘grand tour’ van het Europese toerisme steevast naar Zwitserland leidde. Nadat hij de cultuur van Rome en Florence had opgesnoven, moest de toerist omhoog. Want om ‘op te gaan’, moet je naar boven: de metafoor van verheffing zit in onze taal gebakken, en zo in ons denken. Wat voor verheffing hoopt Yourcenar in hemelsnaam te vinden op deze eilandjes?

Zie hem kijken, Nathanael, de minst gecultiveerde van haar personages. Kijken naar kieviten die hun paringsdans inzetten, naar patronen die hem mooier voorkomen dan de pronkkast van zijn meester. Zo zet hij de stadse rangorde van cultuur boven natuur volledig op zijn kop. Want wat is de plaats van de mens in dit schouwspel van zee, zand en hemel? Nathanael weet dat de natuur er niet is voor hem. Ze is onverschillig voor zijn liefde of lijden. Hij weet dat hij zal sterven op het eiland, dat ‘het vreselijke martelaarschap zijn loop moet nemen, ergens in een hoek waar ook na zijn overlijden de steltlopers zullen staan.’ Toch komt zelfmedelijden niet in hem op.

Dus nee, wanneer Yourcenar ons zijn leven reconstrueert, is dat niet om een bijzondere plot te vertellen, noch om hem op te voeren als model. Nathanael staat voor één van vele manieren waarin we ons leven vorm kunnen geven. Leven als zoeken, scheppen of leiden – dat is de drang in ons die Hadrianus en Zeno hebben belichaamd. Maar er is ook leven dat aanvaarden heet. Dat klinkt vandaag als ketterij. Maar ook deze impuls heeft Yourcenar weten te vatten, door ons onze onbeduidendheid voor de voeten te gooien. En de loutering die ervan uitgaat. Als Nathanael zich op het einde neerlegt is het als een dier onder de dieren. Op de achtergrond klinken geen violen, alleen wind en vogelgekrijs.

Ik hoop dat ik Nathanael nooit vergeet, Bart. Ik wil hem niet vergeten. Niet de steltlopers, niet de snoepende beer, noch de gelaagdheid van een stilte, ‘diep lijk de orgels van kathedralen’. Dit alles wil ik in het hart dragen in België, misschien evenzeer als de kinderen die ik met Vera op de wereld zal zetten, en die mij zullen opslokken, me met de meest onbreekbare touwen zullen binden. Ik wil door hen gebonden worden, en ja zeggen tegen de wereld. Maar ik wil ook Nathanael niet vergeten. Kom ze mij over een jaar of tien voorlezen, de laatste twee Friese hoofdstukken, wanneer je me zou aantreffen in een cocon van burgerlijk gemak. Kom me wakker maken.

*

Laat ik je deze historische ironie niet onthouden. Amper tien jaar voor Yourcenar het veldwerk voor haar boek afmaakte, plantte een andere schrijver zijn tent op een naburig eilandje: Godfried Bomans. De schrijver van de mooiste sprookjes in het Nederlands was een uitdaging aangegaan om Rottumerplaat te trotseren, ten noorden van Schiermonnikoog. En dat twee weken lang. Zou hij het uithouden? Het dagboek dat hij er bijhield werd een klassieker, Op reis door de wereld en op Rottumerplaat (1972). En het treffen van die grote twee, op een zandstrook te midden het water, het doet glimlachen. Het lijkt er haast om gedaan, als een studie van contrasten. Hoe konden twee gecultiveerde mensen er zo’n radicaal andere ervaringen uit puren?

Het overheersende gevoel in Bomans’ dagboek is beklemming. ‘Vandaag was een zware dag door de meeuwen die laag overscheerden.’ ‘De wind wou maar niet gaan liggen.’ ‘Nog vier dagen tot de boot komt…’ ‘Vannacht niet kunnen slapen door het flappende tentzeil, maar ik houd me sterk!’ ‘Een blikje van mijn speciaal rantsoen opengedaan, om de moraal erin te houden.’ Enzovoorts. Het is het zelfportret van een mens die zich bewust is van zijn naaktheid tegenover ‘De Natuur’, wier grootsheid hem in zijn schrijfkamer nooit zo bewust was geweest. Hemel en wind verpletteren hem. Hij klampt zich vast aan zijn dagelijks praatje met radioster Willem Ruis, die zijn wedervaren volgt en klaar staat om bij het geringste teken een reddingsboot te sturen. Eén enkele week zou Bomans op het eilandje doorbrengen. Toen de boot kwam, was hij op.

Tien jaar later, luttele kilometers verderop, beklimt een oude vrouw de duinen met een fijne sjaal om haar gezicht gewikkeld, en treft er scharminkels van bomen. Ze gaat liggen in het zand, in gedachten verzonken. De man die ze zich verbeeldt, was hier ook geweest, drieënhalve eeuw eerder. Hij had er zich geborgen gevoeld als in een kerk. De elementen kwamen hem niet vijandig over. Als hij al waardeoordelen velde, vielen ze positief uit voor het eiland.

Ik stuur hier niet aan op een krachtmeting tussen deze twee schrijvers, Bart. De Hollandse rede van Bomans, zijn gevoel voor humor zijn me dierbaar: Bomans als vijand en Yourcenar/Nathanael als vriend van de natuur, zo is het niet, helemaal niet.

Nathanael is geen ‘dierenvriend’ zoals wij dat woord verstaan. Hij idealiseert de natuur niet. Ze is wat ze is, en hij is er deel van. Hij voelt er zich één mee, veel meer dan wij modernen die onze bedoelingen op haar projecteren. De schrijver (en boer) John Berger heeft er in zijn belangrijke essay over dieren (Why look at animals, 1977) raak de vinger opgelegd: de moderne mens die de natuur volledig beheerst, kan haar aanschouwen zonder enige dreiging te voelen. Maar naarmate zijn macht toeneemt, groeit ook zijn vervreemding. Zo wordt natuur hem paradoxaal genoeg een ‘waarde’:

Een waarde in tegenstelling tot de maatschappelijke instellingen die de mens zogezegd ontdoen van zijn essentie en hem opsluiten. De natuur krijgt daarmee de betekenis van wat organisch is gegroeid, wat niet door de mens is geschapen. Ze staat voor dat aspect van menselijke innerlijkheid dat ‘natuurlijk’ is gebleven. Volgens deze kijk wordt het leven van het wilde dier een ideaal, een ideaal geïnternaliseerd als een gevoel rond een onderdrukt verlangen.

 Dat ideaal speelt ons nog steeds parten. Wat wild is, is nog ‘echt’. Is het niet dat wat Vera en mij naar Nieuw-Zeeland heeft gedreven, en velen naar exotische oorden? Een verlangen naar iets onbestemds, een oorspronkelijke toestand. Dat vertroebelt, laat Berger uitschijnen, meer dan het ons helpt.

Daar heeft Nathanael geen last van. Hij hoeft zichzelf of zijn cultuur niet te misprijzen om dieren en planten graag te zien. In de beer die frambozen plukt, ziet hij geen vriend, wel een geestverwant we- zen, evengoed bewust als hijzelf. De fout van de huisvrouw die in een vlaag van ‘dierenliefde’ een leeuw wou liefkozen (met bijna dodelijke afloop – Berger vermeldt het nieuwsfeit in zijn essay) zou Nathanael niet maken.

Nathanael wist dat niets aan hem van enig belang was voor die zielen van een andere soort; zij gaven hem geen liefde om liefde terug (…) Ook de konijnen in het korte gras op de duinen waren geen vrienden, dan wel bezoekers, steeds op hun hoede, uit hun hol gekomen als uit een andere wereld.

In zijn empathische maar onsentimentele manier van kijken, staat Nathanael dicht bij de keuterboeren tussen wie Berger in de tweede helft van zijn leven zou gaan wonen. Precies de kleine boer voelde ze nog, de verbondenheid van het leven, in zijn contact met de beesten die hij verzorgde, maar niet heilig verklaarde noch overlaadde met sentiment. Berger verwoordt het zo:

Het bloed van een dier vloeide als dat van een mens maar de dierensoort stierf niet en elke leeuw was Leeuw, elke os was Os. Dit weerspiegelde zich in de behandeling van dieren. Ze werden onderworpen én aanbeden, gekweekt én geofferd. Vandaag blijven de sporen daarvan aanwezig bij hen die innig leven met en afhangen van dieren. Een boer gaat zijn varken graag zien en is tegelijk blij zijn vlees te kunnen pekelen. Wat zo moeilijk is voor een stadsmens om te begrijpen, is dat die twee stellingen verbonden zijn door een ‘en’ en niet door een ‘maar’.

Een boer knuffelt zijn beesten niet. Ik zag het destijds bij boer Seong in Korea. De stadse vrijwilligers hielden niet op zijn paarden te knuffelen. Maar het was wel de boer die elke dag om half zes opstond om ze te voeren en niet de vrijwilligers; het was hij die de nagels van de honden knipte wanneer dat nodig was. Maar ze op winternachten, behalve de allerkoudste, toch niet in huis nam. Hij werd er door de vrijwilligers wreed om bevonden. ‘De stal is groot genoeg’, zei hij.

In zijn magistrale Varken Aarde (1979) brengt Berger hulde aan deze kleine boer. De rode draad door die mozaïek van getuigenissen is een empathische omgang met en onsentimenteel gebruik van dieren. De boer spreekt met elkeen in verschillende stemmen, zo ook met het varken dat hij eigenhandig zal slachten. Als de boerin en haar knecht zich afvragen waarom een van hun koeien zich vreemd gedraagt, spreken ze over haar als over een mens. De knecht speelt haar een lied op zijn harmonica wanneer ze onbeweeglijk op de grond ligt. En gaat dan op zoek naar een zwart doekje.

Bij een executie maakt een masker het slachtoffer passiever en het bespaart degene die executeert de laatste blik in de ogen van het slachtoffer. Hier zorgt het masker ervoor dat de koe haar kop niet wegdraait van de schietpin die haar verdooft.

En de andere boer die, kapot om het verlies van zijn moeder, zijn hond schopt en zijn koe afrost, hij schaamt er zich om. Maar dat doet hij niet wanneer hij later accordeon speelt in de stal. Dat dieren- en mensenwereld één en dezelfde is, komt deze kleine mensen als vanzelfsprekend voor, een evidentie die er voor ons, gevangen tussen verdinging (dier = grondstof) en sentimentalisering (dier = vriend), geen is. Nathanael ware een slechte boer geweest, ’t is waar. Uitgerust met een empathie zo sterk dat ze hem elk gebruik onmogelijk maakt, valt het hem niet eenvoudig zijn plaats te vinden in het gezin dat hem onderdak geeft. Maar hij werkt hard, houdt zijn gevoelens voor zich, en laat de dieren hun beloop. Zo vindt hij een regeling met het boerenleven, zoals hij er later een zal vinden met de ‘geletterden’ in Amsterdam. Al is geen van beide werelden hem eigen, toch vindt hij iets van plezier en schoonheid in elk. Ook op het Waddeneiland, dat strookje zand geslagen door de wind.

*

Het laatste hoofdstuk. Het wordt herfst op het eiland; Nathanael verzwakt. En naarmate de dood nadert (die van Yourcenar niet minder dan van Nathanael) betast het proza de contouren van de laatste der dingen: tijd, donker, naam, lichaam.

Toen hield de tijd op te bestaan. Het was als had men de cijfers van een wijzerplaat geveegd en de wijzerplaat zelf vervaagde zoals de maan bij klaarlichte dag. Zonder klok (die in de hut werkte niet meer), zonder horloge (hij had er nooit een gehad), en zonder kalender aan de muur, ging de tijd als een bliksemschicht voorbij of bleef voor altijd duren. De zon kwam op en ging onder, op een plek die haast niet verschilde van de dag ervoor, een beetje vroeger elke avond, een beetje later elke ochtend. De dageraad en de schemering waren de enige gebeurtenissen die telden. Tussen hen was er een kleine stroming, niet die van de tijd, maar van het leven. De maankwartieren waren van geen belang meer, behalve dat, bij volle maan, het zand ’s nachts stralend wit was. De namen en de vormen van de constellaties die hij vroeger uit het hoofd had gekend, ontgingen hem nu, maar het was van weinig belang. Het waren sowieso onbegrijpelijke vuren die aan de hemel brandden. Wolken hielden er haast steeds een deel van verborgen; ofwel kwamen ze weer tevoorschijn als verloren gewaande vrienden.

Vóór de ziekte zich verhevigde en hem beetje bij beetje de kracht ontnam van iets nog werkelijk te houden, bleef hij vurig houden van de nacht. Ze kwam hem grenzeloos voor, en almachtig. De nacht boven zee vulde het eiland. Soms liep hij ’s nachts naar buiten en deed in het donker, waarin men niet méér waarnam dan de weke massa van de duinen, de witte koppen van de golven, zijn kleren uit en liet zich vollopen met het donker en de zoele wind.

Op zulke ogenblikken was hij niet meer dan een ding onder de dingen. Hij had niet kunnen zeggen waarom, maar dat contact van zijn huid met de duisternis ontroerde hem even diep als dat in vroeger jaren de liefde had gedaan. Op andere tijden was de nachtelijke leegte dan weer ondraaglijk. (…)

Op een keer, om aan zichzelf te bewijzen dat hij nog een taal bezat, sprak hij met luide stem (…) zijn naam uit. Het geluid deed hem schrikken. De kreet van de meeuw, de klagende roep van de regenwulp bevatte nog een oproep of waarschuwing begrepen door andere individuen van het gevleugelde ras; of op z’n minst toch een verzekering nog te bestaan. Maar zijn nutteloze naam kwam hem even dood voor als de woorden van een taal die niemand meer praatte. Misschien had hij, om in een immens grote wereld zijn bestaan te bevestigen, moeten zingen lijk de vogels. Maar niet alleen zou zijn stem vlug breken, hij wist ook dat hij de zin tot zingen voor altijd had verloren. (…)

Hij kon het zonder boeken stellen. In de hut had hij niet meer gevonden dan een bijbel, die hij beetje bij beetje verbrandde toen op een dag de stoof niet goed wou aantrekken. Het scheen hem toe dat de boeken die het hem gebeurd was te lezen, hem weinig had den opgeleverd, en dat het een fout was geweest niet volkomen op te gaan in de lectuur van de wereld. Boeken lezen was, zoals het zuipen van sterke drank, een manier geweest om zich te verdoven, om er niet te hoeven zijn. En trouwens, wat waren boeken? Hij had, bij Eli, lang genoeg met de rijen met inkt bestreken loden blokken gewerkt. Naarmate zijn lichamelijke gewaarwordingen pijn deden, leek het noodzakelijk met geconcentreerde aandacht te volgen wat zich in hem afspeelde, of afwikkelde.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is image.png

Wat in dit laatste hoofdstuk beschreven wordt, Bart, met een directheid die doet huiveren, is een stervensproces. Eén voor één vallen ze weg, de dingen die het leven uitmaken. Toch komt Yourcenar niet in de verleiding, zoals vele vertellers, terug te blikken op het leven dat is geleefd, het horen, zien en ruiken, de trotse herinnering. Nee, ze trekt net af. Ze beschrijft hoe het tijdsgevoel Nathanael ontvalt, en hij zichzelf verliest. Tot op het eind niets meer overblijft dan materialiteit. As tot as, stof tot stof. Sterven als aftrekking.

Ik heb op deze lange reis met Vera het doodsprentje van mijn grootvader meegenomen, mijn moeders vader: Paul Huylebroeck, september 1930 – kerst 2013. Het schriftje waarin ik het doodsprentje had gekleefd van mijn grootmoeder Juliana, werd in een postkantoor gestolen. Er staat een mooi versje in, waarin net aan dat proces van aftrekking wordt herinnerd:

Denk aan mij terug
Maar niet in de dagen van pijn en verdriet
Denk aan mij terug
in de stralende zon hoe ik was
toen ik alles nog kon

Hoe kijk je naar ouder worden? Kijk je naar wat erbij komt: de pijn die zich in het lichaam nestelt, soms in de geest? Of kijk je naar wat geleidelijk wegvalt: plezier in eten en beweging; omgang met anderen; en uiteindelijk gewaarwording, belang van tijd, van spreken, van ik. Zelfs de omgang met de allernaasten: iedereen sterft alleen; het wordt Nathanael bewust in een huiveringwekkende passage, griezelig mooi, die ik je hier niet vertaal. Om alleen te lezen, elk voor zich. Het bijzondere aan Nathanaels stervensproces is dat hij het aanvaardt zonder drama, als verwelkomde hij wat wij meer dan ook vrezen:

Soms liep hij ’s nachts naar buiten en deed in het donker (…) zijn kleren uit en liet zich vollopen met dat donker en die haast zoele wind. Op zulke ogenblikken was hij niet meer dan een ding onder de dingen.

Dat is kenose, de leging van het zelf die mystici nastreven, door Yourcenar beschreven als ‘het worden van een ding onder de dingen’, een opgaan waarin geen hoger of lager meer is, geen beleving, plezier of pijn, geen wil. Dat deze leging hier bereikt wordt door een man amper een paar dagen voor zijn dood, door een vrouw een paar jaar voor de hare, is geen toeval. Naarmate de dingen wegvallen, wordt ons ‘zijn’ ons meer bewust. Hoe vaak staan we stil bij het wonderlijke van dat zijn? Ik merk zelf hoe vaak ik op automatische piloot werk en spreek en leef. Ook op deze boerderij in Kroatië. Hoeveel zwakker dan nog het besef van wat daaronder ligt, dat van het leven zelf?

Om je de aanleiding voor dit stuk op te biechten… Ik ben hier in het ziekenhuis beland – een hernia die een onmiddellijke operatie behoefde, na iets te enthousiast te hebben gespit. Eerst Saigon (ook al een hernia), nu dus Kroatië. Uitgerekend de revalidatie gaf me de kans deze gedachten uit te schrijven. Het is een wrede ironie, ja: hoe ons in ziekte een bewustzijn van leven wordt geschopt. In dat klein beetje sterven dat ziek vallen is, wordt ons plots duidelijk ‘hoe wij waren, toen we nog alles konden’. Het leven lijkt plots niet meer vanzelfsprekend. En wat we dan eindelijk kunnen voelen, is dankbaarheid.

*

Een jaar of twee terug vertaalde ik je in Vung Tau de achtste elegie van Rainer Maria Rilke. Ik heb die verzen meegesleept over de heuvels van Nieuw-Zeeland en de Baltische vlakte, tot Vera’s chagrijn – en ze zijn nog steeds onaf. Maar laat ik je toch deze kleine passage citeren. Rilke heeft het net over diezelfde kern van leven die ons doorgaans verborgen blijft, maar die de dieren continu present is. Daarin ziet hij het grote verschil tussen hen en ons.

Wij hebben nooit, zelfs niet een enkele dag
de pure ruimte voor ons,
die waarheen de bloemen alsmaar opengaan.
Altijd is er Wereld,
nooit een Nergens zonder Niets:
Het pure dat men niet bewaakt maar asemt,
niet begeert maar weet, zonder eind.
Een kind verliest er zich soms in,
één met die stilte,
en wordt dan weer geschud.
Of iemand sterft en is het.
Want dichtbij de dood ziet men de dood niet meer
en staart naar buiten, misschien met grote dierblik.
Minnaars ook, ware daar de ander niet
die in de weg staat, ze staan er zo dicht bij, versteld…
Als bij vergissing gaat het voor hen open
achter de ander… maar aan hen gaat
geen weg voorbij, en zo wordt het weer Wereld.

(Rainer Maria Rilke, Die achte Elegie, 1928)

Zoveel wereld. Een wereld van handelingen waarmee wij ons bestaan alsmaar bevestigen. Ja, ik ben! Ik verdien gezien te worden, want ik heb… een lichaam en kleren en een huis en een baan en een idee en vrienden en boeken en herinneringen en cultuur en een kind en schone meubels. Niemand kan het betwijfelen, ook ik niet. Kijk, wij zijn! Alle bezit en ervaring waarmee wij ons leven vullen heeft waarde. Sommige dingen meer dan andere, al hangt dat af van ons persoonlijke oordeel. Maar dat alles verblindt ons wel voor ons eigenlijke bestaan daaronder. Het bestaan dat niet te gelde hoeft gemaakt: het pure dat men niet bewaakt maar asemt/ niet begeert maar weet, zonder eind. Zijn zoals ook de dieren zijn. Ding zijn onder de dingen.

De wereld van Nathanael was steeds klein. Veel bezittingen heeft hij niet gehad; grote honger naar sociale of seksuele omgang evenmin, al is hij geen onthouder geweest. Hij wist ze te genieten wanneer ze zich voordeden; de vriend Jan die hij had, is hem ontvallen. Met zijn moeder had hij een weinig hechte band. Een echte thuis om aan verknocht te geraken, was hem nooit gegund; een vrouw maar even, een zoon nóg minder lang. De boeken die hij te lezen kreeg, betekenden weinig. Alleszins minder dan zijn lectuur van de wereld rondom hem.

Kortom, het streven naar bevestiging dat ons zo natuurlijk komt, is in Nathanael haast afwezig. Zo zwak is het dat zelfleging haast vanzelf komt. Misschien staan hem net daarom de dieren zo na. En toch… Mens zijnde overvalt hem de drang zichzelf nog één keer uit te druk ken voor het nakende einde. Hij roept zijn naam, alleen op het strand met de vogels. En schrikt. Zijn stem is schor, zijn naam klinkt hem vreemd. Een lege huls. Hij is Nathanael niet meer…

Ben je er nog, Bart? Heb ik je aandacht nog, na deze honderd en één bochten? Ik kan me voorstellen dat de woorden zo van je afglijden, als water. En terecht misschien. Hier zit een soort afweer in ons ingebouwd. Deze vorm van zelfleging, ze kan voor een doorsneemens nooit de kern van ons leven uitmaken. Evenmin voor jou en mij. En dat is maar goed ook.

Ooit schreef een Amerikaanse commentator over de elegieën: ‘Als je je na een paar bladzijden Rilke down voelt, leg het boek dan neer en ga onder de mensen, of joggen in het park!’ Het doet bijna denken aan die klevertjes op cd-hoezen van vroeger: Warning, explicit lyrics! Tja, hoe praat je daarover? Het is daarom dat ik juich om deze homme obscur die Yourcenar ons gaf, en die ze niet schreef als handleiding. In haar korte nawoord is geen spoor te vinden van het begrip ‘spiritualiteit’. Wat ik hier uit hem haal, is niet wat zij erin stopte, als was een roman een doosje met een strik errond. Hoe dan ook, zij heeft Nathanael tot leven gewekt. En als wij uit zijn leven zekere lessen willen trekken voor het onze, staat ons dat niet vrij?

Nathanaels leven loopt ten einde, zijn ik-besef loopt leeg. De laatste passage die ik je vertaal komt uit het midden van het laatste hoofdstuk. Het einde moedig ik je aan zelf te lezen.

Maniakaal hield hij de drie vertrekken op orde die voor de heren waren bestemd als was het niet reeds een uitgemaakte zaak dat meneer Van Herzog die herfst niet meer zou komen. Een obsessie met properheid beving hem. Maar met het putten van het brakke water voor zijn schrale was en afwas waren meteen al zijn krachten opgebruikt. Het vuur was een hongerig beest dat voortdurend met kluiten turf gevoed moest worden. Uiteindelijk, toen het niet anders meer ging, at hij slechts koude gerstepap, witte kaas en brood. Zijn darmen konden het voedsel niet meer binnen houden. Meermaals moest hij opspringen en zich naar de deur reppen, de sliert van vloeibaar excrement die hij op de drempel achterliet, deed hem walgen; de ochtend erop waren het maar een paar zwartachtige vlekken meer, waar hij met z’n voet wat zand overheen duwde.

Het ergst van al was die rochelhoest, als droeg hij in zichzelf het moeras waarin hij wegzonk. Nacht na nacht, gewikkeld in één van de mooie, dure dekens van meneer Van Herzog, die zijn koortszweet beter droogden dan een laken, sliep hij in met de gedachte dat hij de ochtend niet meer zou halen. Het was heel eenvoudig. Hoeveel dieren in het bos zouden die nacht de dageraad niet weerzien? Een ontzettend medelijden vulde hem voor alle wezens, elk gescheiden van alle anderen maar die het leven en het sterven toch allemaal even moeilijk viel. Bij het eerste krieken van de dag, bracht de frisse maar zachte lucht die aanwoei van over de oceaan, hem een soort wapenstilstand. Een ogenblik lang kwam zijn lichaam hem netjes gewassen, intact voor, ja zelfs mooi, en met elke vezel deelachtig aan het geluk van de ochtend.

Het slothoofdstuk van dit boek is meer waard dan een bibliotheek vol mystiek. Niet alleen zie je als lezer de contouren van een ‘ik’ vervagen, maar ook alle rangen en sociaal bevestigende verschillen aan de hand waarvan ook wij onszelf definiëren. Ze betekenen zo weinig, al die woorden, man-vrouw, mens-dier, oud-jong, edel-volks, baas-werker. We praten er ons suf over, maar uiteindelijk, tegen het licht gehouden dat er op het eind doorschijnt, wat zit erin?

Hoeveel van ons schrijven komt niet neer op een compenseren van onze ontoereikende woorden? De grenzen tussen hen zijn vaak te scherp, of we hebben er niet genoeg om de overgangszones te bestrijken. ‘Wanneer ik a zeg, dan bedoel ik daarmee natuurlijk niet alleen a, maar ook een beetje b…’ In welk man/vrouw-vakje ga je Jan Morris stoppen, of Ocean Vuong? Waar op het continuüm van vrij en onvrij ligt de wereld van Shevek? En waar komen al die vertelsels vandaan over de fluïde overgang tussen mens en dier, zo oud als de mens zelf? Zo doet Nathanael denken aan de Indische Saddhus, nietwaar, die zich na een lange carrière en een voldoening schenkend leven terugtrekken in het woud (ja, die traditie leeft tot vandaag) om er zich te bezinnen over wat het leven hen schonk: de standen, kasten, en grenzen, alle gekerfd in woorden, en hoe onbeduidend ze waren. Zo zijn we dan uiteindelijk toch, ondanks Nathanaels onverschilligheid tegenover geïnstitutionaliseerde religie, tot het onvermijdelijke ‘God’ gekomen. Het tasten daarnaar is waar zelfleging een middel toe blijkt te zijn.

De goddelijke, eeuwige volheid van het leven kan enkel worden bereikt door zij die bewust het afgesneden leven van streven, van egocentristisch denken, voelen, en handelen achter zich hebben gelaten. Het bewust laten sterven van het ‘zelf’ staat met compromisloze fermheid in de canonische geschriften van het christen- dom, hindoeïsme, boeddhisme en de meeste religies ter wereld.

(Aldous Huxley, De eeuwige wijsheid, 1949)

Hier ligt haar oorsprong dus, de tweespalt die alle grote religieuze tradities kenmerkt: die tussen orthodoxie en mystiek. Ze ontstaat uit ons onvermogen greep te krijgen op de onderliggende eenheid die het eigenlijke wonder is. Orthodoxie biedt mensen houvast in een onzekere wereld met behulp van een verhaal of morele leer. Ze biedt antwoorden, gemeenschap, schoonheid. Maar omdat ze zo sterk in de wereld is verankerd, hetgeen deel is van haar aantrekkingskracht, kan orthodoxie er moeilijk aan weerstaan het wonder te verpersoonlijken. Man, laat mij gerust met uw gewauwel over universele liefde! Geef mij een naam, een gezicht, een nagel, geef mij iets om in te geloven, en mij aan op te trekken!

Het bijzondere waar Huxley de vinger op legt, is dat er in alle tradities mensen zijn geweest voor wie dat niet genoeg was. Niet dat ze slimmer waren dan de rest. Nee, op de één of andere manier waren ze geraakt door iets wezenlijks dat ‘achter’ het ritueel leek te liggen, maar waar in de brave, doordeweekse kerk geen woorden voor waren. Het onuitsprekelijke toch tastbaar maken, dat is De eeuwige wijsheid die Huxley aan die tradities heeft onttrokken en op schrift gesteld. Zelfleging is er één van.

Gezien tegen deze achtergrond, komt onze Nathanael je niet als een mysticus voor? Of zoals Yourcenar over hem zegt in haar nawoord:

Hij is niet zo onwetend als ik had gewild. Wel hoedt hij zich voor voorgekauwde meningen. Hij is autodidact, maar geenszins simpel. Wel extreem onthecht, op zijn hoede voor wat boeken, muziek, schilderijen toevoegen aan de naaktheid van dingen. Hij is niet vooringenomen over wat zijn zintuigen hem vertellen, wel onverschillig tegenover de gebeurtenissen in de kranten. Zijn oogopslag is des te helderder omdat hij niet in staat is tot trots. Verder valt over Nathanael niets te zeggen.

Yourcenar heeft twee keer gelijk, Bart. Nee, Nathanaels mensbeeld kan nooit de basis vormen van de wereld waarin wij leven. Het kan mensen niet op grote schaal samenhouden, laat staan dat het een natie ideologisch kan ondersteunen. Maar dat betekent niet dat zijn kijken, een waarbij de mens een stap terugzet uit het middelpunt der dingen, ons niet kan dienen. Dat betekent niet dat zo’n kijken niet waardevol is, waarachtig, waar.

Noot: alle dit stuk geciteerde schrijvers, van Marguerite Yourcenar en Ocean Vuong tot Aldous Huxley, kwamen in eerdere stukken voor.