Rocky gezien

In de mazen van Saigon is de hitte best te harden. Terwijl ik m’n les voorbereid, nippend aan een cafe sue da komen de ijsjongens voorbij. Hun zakken zien eruit alsof ze een ton wegen, maar zij jongleren ermee. Ze leveren aan de cafés en de beenhouwer van de steeg. Doet dat niet aan de film Rocky denken? Was zijn broer geen ijsventer in Brooklyn?

Als de ijsjongens present geven, kijkt de hele buurt op, iedereen lacht ’n beetje, want de ene kijkt stoerder dan hij is, de andere grijnst als een hond. Kostbaar is hun vracht.

Handenarbeid, het is een van die dingen die de stad zo sympathiek maken. Zelfstandige arbeid, ooit in de ban geslagen, nu vrij. De arbeid van wasvrouwen die zingen om de sleur te verlichten, van sakkerende fietsenmakers, van de beenhouwer om de hoek die ’n sigaretje opsteekt – zodat Rocky op het karkas kan meppen. Er huizen vast ook leraars in de steeg, maar zij pendelen zich ’s ochtends uit de voeten.

Er was een tijd dat ik zelf de handen uit de mouwen stak. Toen ik in Münster studeerde, kluste ik bij als verhuizer. Een mooie tijd. De mensen zagen je graag komen, ze waren verward en tegelijk blij dat je er was. Ze schonken je koffie in. Er was tijd voor ’n praatje tussendoor. En al geef ik nog zo graag les, er ging niets boven dat gevoel aan het eind van een dag van laden en lossen, slepen en vloeken, je boterham te hebben verdiend.