Vietnam

Vijftien jaar woont Paul af en aan in het Vietnamese Saigon. Haat-liefde, zo vat hij zijn verhouding met de stad samen. Of in zijn woorden: ‘Saigon is niet het paradijs, en evenmin de hel. Het is ze allebei tegelijk. Het is de meest vervullende plek waar ik heb mogen wonen. En de waanzinnigste.’

In een van zijn eerste stukjes heeft Paul het over de iconische Vietnam war. Wie heeft die oorlog eigenlijk gewonnen?

(leestijd : 4 minuten)

Tot ik hier belandde, was Vietnam geen land, maar een oorlog. Een oorlog die we niet eens meemaakten, enkel de nagalm ervan op televisie. Al het lekkers om naar te kijken. Al die Tours of Duty om mee te brullen.

This is the end
My only friend
The end

(The Doors, The End, 1967)

De Verenigde Staten dropten meer bommen op Vietnam dan tijdens de hele Tweede Wereldoorlog, 250 kilogram per inwoner. Napalm en fosfor die brandden tot het bot. Fragmentatiebommen. Chemicaliën die gewassen vergiftigden. Ze bombardeerden Hanoi, dat niet eens een luchtmacht had om zich te verdedigen. Ze beukten met al hun macht en technologisch kunnen in op een land de grootte van Finland. En ze verloren. Of om de stelling om te keren in een vraag: hoe kon een smal, slangachtig landje waar haast alleen boeren woonden, zegevieren in een tien jaar durende oorlog tegen de grootste macht op aarde?

Heb jij je ooit die vraag gesteld? Heb jij ze ooit weten stellen in de geschiedenisles? Of in al die pulpfictie die we in onze jeugd hebben gezien?

Ik denk nu terug aan enkele van die films, Born on the Fourth of July, The Deer Hunter, Full Metal Jacket, en smakelijke spin-offs als The A-Team, een stortvloed aan verhalen volstrekt onbelangrijk voor ons tienerleven – en ik zie van alles: goede soldaten, bange soldaten, soldaten die door het lint gaan, soldaten die pas helden worden als veteranen. Maar zeg eens, herinner jij je uit die honderden uren scherm ooit Vietnamezen te hebben gezien? Of gehoord? Ik spoel die films terug en wat ik zie zijn schreeuwlelijke mannetjes die de jungle uit rennen, primitief, mierachtig. Niet uit te roeien.

‘We vochten eigenlijk niet met de vijand, wij vochten tegen onszelf’, zegt Charlie Sheen ergens in Platoon (1986). ‘De vijand, dat waren wijzelf.’ Dat was wat een van de grootste oorlogsfilms van het Amerikaanse pantheon, een film die vier Oscars zou winnen, had te zeggen over de Vietnamezen: niets.

Toen in ons geboortejaar de laatste Amerikaanse soldaat werd ontzet, lag Vietnam in puin. Wegen en spoor waren verwoest, velden opengereten. En misschien erger nog, overal lagen bommen die niet waren afgegaan. De menselijke tol was enorm: een miljoen of meer doden, god weet hoeveel verminkten, wezen en ontheemden. Op de vredesconferentie van Parijs hadden de Verenigde Staten drie miljard dollar beloofd voor de heropbouw, waar ze geen cent van zouden betalen. Ze eisten integendeel dat Vietnam de leningen afloste die het Zuid-Vietnamese marionettenregime voor de oorlog was aangegaan. Ze legden een embargo op. Lees erover, en probeer je gezicht in de plooi te houden. Gelukkig dat het mieren waren die werden verdelgd of de Kissingers van deze wereld zakten door de grond van schaamte.

Een jaar of dertig geleden krabbelt dat land dus recht. Murw na een overwinning die het resultaat was van menselijke organisatie en een bovenmenselijke wil. Murw, en platzak. De staat eist in pure Sovjetstijl alle oogsten op, alle productie. Ze deelt rantsoenkaarten uit. Maar zo’n economie loopt natuurlijk voor geen meter. Pas een jaar of tien later dringt het door dat ze privé-initiatief moet toelaten. En weet je wat? Ze kijkt de Amerikanen in de ogen, en… slikt haar eis voor herstelbetalingen in. Sterker nog – en probeer je dit voor te stellen – zij, de Vietnamese staat, betaalt haar vooroorlogse schuld terug aan de Verenigde Staten van Amerika, the land of the free, home of the brave.

Vertaal dit even ‘Europees’: dat het kleine België in de jaren twintig of dertig achterstallen zou storten aan zijn Duitse agressor.

Het is niet voor te stellen. Wat voor een licht heeft door deze men- sen geschenen, dat men zich daartoe kon brengen? Dat licht, ooit zal ik je erover schrijven. Ik heb het nog niet kunnen vangen, wel af en toe gezien voor wat het is. Dit harde, over het waterland schijnende licht, dat niet hemels is – het is geen heiligenlicht. Het is aards, het kan niet aardser zijn. Het is alsof de aarde, doorheen de mensen, het licht teruggeeft. Zoals goud dat doet, en toch niet. Of hoe de wereld op zijn kop ging staan, en een communistische vazalstaat de andere wang toe- keerde aan een godvrezende christennatie. En waarom niet? Waarom de kans laten liggen de oorlog een tweede keer – moreel – te winnen?

Ik romantiseer dit nu, maar zo’n gebrek aan wrok, hoe kan je daar niet van zwijmelen? Net als van de bovengemiddelde ontwikkelingsindex die Vietnam kan voorleggen ondanks zijn lage BBP per hoofd. Ook al zitten er gaten in, er bestaat een sociaal vangnet. Elk dorp telt zijn lagere school, de basisgezondheidszorg is gratis. Een bijster efficiënt land is het niet, wel één dat beschutting biedt.

Hoe vaak kan je een oorlog winnen? Het is naar aanleiding van een krantenkop dat ik je de vraag stel, Bart. ‘Vietnam bevestigt toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie, de WHO’, zegt de Saigon Times vandaag.

De WHO, dat is de wereldmarkt, waar Vietnam volgend jaar (2007) het honderdvijftigste lid van wordt. Een schier onuitputtelijke bron van kapitaal, technologie en handel waarvan het al te gek zou zijn niet te profiteren. De wieltjes van de economie zijn ingevet. Het is makkelijker geworden zaakjes op te starten; lokale besturen kregen een vorm van autonomie; de effectenbeurs zag het licht. Reken maar dat ook hier het geld zal binnenrollen, in sloten. Het zal alles wat vast was, vloeibaar maken. Maar, wie zal winnen bij het gelijke speelveld dat de WHO-regels opleggen tussen haar lidstaten, bedrijven, boeren, mensen groot en klein? Gelijkheid voor wie? Ten voordele van wie? Hoe vaak kan je een oorlog winnen?

Dat Rambo ooit zijn duivels losliet op Vietnam, weten we allemaal. Maar wie had gedacht dat ook Rocky zijn voet tussen de deur zou steken?

(leestijd 1 minuut)